Artikel 11: Wat geldt voor de halfjaar urensystematiek?

Vanaf 1 oktober 2025 geldt er een halfjaar urensystematiek. Artikel 11a komt dan te vervallen. In de plaats daarvan gelden onderstaande regels.

  1. Aantal uren
    1. Een voltijdmedewerker werkt gemiddeld 38 uur per week. Dit is 988 uur in een periode van een half jaar (26 weken). Voor een deeltijdmedewerker is dit naar verhouding.
    2. De medewerker werkt niet iedere week, 4 weken of maand evenveel uren. Dit komt doordat sommige periodes drukker zijn dan andere.
    3. Het aantal gewerkte uren per periode van 26 weken is bruto. Dat betekent dat hieronder vallen:
      • de uren die de medewerker werkt
      • vakantie-uren
      • uren op feestdagen
      • uren van arbeidsongeschiktheid
      • uren die de medewerker niet werkt om een andere rede
      • ouderschapsverlof
      • onbetaald verlof
      • andere vormen van betaald verlof
    4. De periode van 26 weken is:
      • 1 april tot en met 30 september
      • 1 oktober tot en met 31 maart
  2. Wat geldt voor het rooster?
    1. De werkgever houdt zich bij het inroosteren aan de regels over werktijden en rusttijden uit de Arbeidstijdenwet.
    2. De werkgever kan de medewerker per week meer of minder uren inroosteren dan het aantal uren dat in de arbeidsovereenkomst is afgesproken.
    3. De werkgever kan de medewerker niet inroosteren voor meer dan 20% van de overeengekomen uren in de arbeidsovereenkomst.
    4. Wil de werkgever de medewerker meer dan 20% inroosteren? Dan kan dit alleen in overleg met de medewerker.
    5. Heeft de medewerker een vaste vrije dag? Of werkt de medewerker op afgesproken uren bij een andere werkgever? Dan kan de medewerker niet worden verplicht op die uren te komen werken.
    6. De medewerker krijgt zijn rooster uiterlijk 4 weken voor de werkweek. De werkgever kan de werktijden of het rooster daarna alleen nog veranderen bij onvoorziene omstandigheden. Deze verandering moet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering.
    7. Verandert de werkgever het rooster nadat het al is bekendgemaakt? Dan krijgt de medewerker minimaal het loon dat hij zou krijgen volgens het eerste rooster.
  3. Wat geldt voor het loon?
    1. De medewerker krijgt iedere maand of loonperiode hetzelfde basisloon. Dit is gelijk aan het functie-uurloon vermenigvuldigd met het aantal uur dat in de arbeidsovereenkomst is afgesproken. Het maakt niet uit hoeveel uren de medewerker die maand of loonperiode heeft gewerkt.
    2. Heeft de medewerker gewerkt op uren waarvoor hij toeslag krijgt? Dan wordt de toeslag uiterlijk op de laatste dag van de volgende maand of loonperiode betaald.
    3. De medewerker bouwt vakantietoeslag, vakantiedagen en pensioen op over alle uren waarvoor hij loon krijgt.
  4. Bijhouden aantal uren
    1. De werkgever houdt het aantal gewerkte uren bij. Na afloop van de periode stelt de werkgever het aantal gewerkte uren vast.
    2. Heeft de medewerker aan het einde van de periode (31 maart of 30 september) meer gewerkte uren dan afgesproken in de arbeidsovereenkomst? Dan worden deze uren aangemerkt als overuren.
    3. Heeft de medewerker aan het einde van de periode (31 maart of 30 september) minder gewerkte uren dan afgesproken in de arbeidsovereenkomst? Dan zijn dit minuren.
  5. Heeft de medewerker overuren?
    1. De medewerker krijgt de overuren vergoed in geld of in vrije tijd of een combinatie daarvan. Dit mag de medewerker zelf kiezen.
    2. De vergoeding
      1. De medewerker krijgt voor de eerste 24 overuren per overuur een toeslag van 25% of 15 minuten extra vrije tijd.
      2. Heeft de medewerker meer dan 24 overuren? Dan krijgt hij voor elk extra overuur een toeslag van 50% of 30 minuten extra vrije tijd.
      3. Werkt de medewerker deeltijd? Dan geldt de 24 uur naar verhouding van het aantal uren van zijn arbeidsovereenkomst.
    3. Kiest de medewerker voor vergoeding in geld? Dan betaalt de werkgever het functie-uurloon en de toeslag uit sub b in de loonperiode na afloop van de 26 weken periode.
    4. Kiest de medewerker voor vergoeding in tijd? Dan worden deze uren aangemerkt als tijd-voor-tijd uren. Voor het opnemen van deze uren gelden de regels van artikel 32. De medewerker moet deze uren binnen 18 maanden na het ontstaan van de uren opnemen. Doet hij dat niet? Dan worden de uren alsnog uitbetaald.
  6. Heeft de medewerker minuren?
    1. De minuren komen voor rekening en risico van de werkgever. Dit betekent dat de minuren aan het einde van de periode (31 maart of 30 september) vervallen.
    2. Komt de reden voor het niet werken en de minuren in redelijkheid voor rekening van de medewerker? Dan vervallen de minuren niet. De medewerker haalt deze minuren in binnen 18 maanden. Lukt dat niet? Dan komen de minuren alsnog te vervallen.
    3. De werkgever mag de minuren niet verrekenen met de vakantie-uren of andere vormen van betaald verlof.
    4. Eindigt de arbeidsovereenkomst? Dan haalt de medewerker de minuren zoveel mogelijk in binnen de opzegtermijn. Lukt dat niet (helemaal)? Dan vervallen ze.
    5. Voor het inroosteren van minuren gelden de regels van lid 2.
  7. Overgangsbepaling artikel 11a lid 5
    1. Heeft een werkgever betere afspraken gemaakt op grond van artikel 11a lid 5? Dan blijven deze afspraken gelden. In overleg met de medezeggenschap mogen nieuwe of betere afspraken worden gemaakt.
    2. Heeft de medewerker tijd-voor-tijd uren opgebouwd in het kader van artikel 11a lid 5? Dan worden deze uren nog behandeld volgens de afspraken die daarover zijn gemaakt.
  8. Voor het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag geldt het volgende.
    1. De periode van afrekening, die meerdere uitbetalingstermijnen omvat, wordt vastgesteld op 6 maanden. Dat is volgens artikel 11 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML).=
    2. Deze periode van afrekening van 6 maanden geldt voor de regels die staan in artikel 7 lid 6, 8 en 13a van de WML.